A

boven de lege regenton

wriemelen muggen bloednerveus

in lage luchten, vuig, scabreus

sidderend in de zomerzon

 

riolen walmluchten hun dorst

hijgend onder ontzielde straten

stadspleinen zuchten doodsverlaten

doorheen een geelverdroogde korst

 

de huizen dampen gevelbleek

zwetend onder hun pannendak

waarop de ploert de uren bakt

en hen tot stilte samensmeedt