Delvaux

 

 

in rode waas verdween hij in het duister

zijn sporen glommen wijkend in het niets

nog hoor ik haar liefkozend zacht gefluister

stationwaarts treurend achter op mijn fiets

 

het leeg perron liet mij in droef gekluister

in ’t vale licht verdween ze als een flits

niemand die nu met mij nog praat of luistert

weer heel alleen blijf ik mijn eigen gids

 

de stilte bracht mij hemelse visioenen

een naakt verscheen gracieus in sluierrok

ze noodde mij en wou mij zachtjes zoenen

 

haar wenkend met mijn notelaren stok

nam ik de trein van de duizend seizoenen

bood haar mijn arm en trok met Morpheus op

 

 

Aramis