Dood in de ogen ...

 

 

Boven een dampende kom pastinaak-soep

kom ik stilaan terug op krachten.

Het wassende water had de speleo-groep

geleidelijk bedreigd tot versmachten.

 

Een vallend rotsblok had de terugweg versperd

en ons in onverkende schachten gedwongen.

Via een dalend talud, dat hellender werd,

zijn we glijdend in het ijswater gesprongen.

 

In het nauw tussen stalactieten gedreven,

de carbuurlampen om zuurstofreden gedoofd,

beleefden we de bangelijkste uren van ons leven

van licht, lucht en warmte beroofd.

 

Minuten werden uren, de stilte weergalmde.

De dood lag gierzuchtig en klotsend op de loer.

In de hoop dat de reddingsdiensten niet talmden

verbeten we de kou in dit rijk van parelmoer.

 

Was het nog dag of al vele uren nacht ?

Werden onze auto’s bij de grotingang gevonden ?

Trof iemand de pas geblokkeerde schacht ?

Geraakten we hier ooit uit, ongeschonden ?

 

Verkleumd, onderkoeld, gaf ik mij gewonnen.

Mijn vrienden gaven al uren geen kiks.

In visioenen dempte ik de wellende bronnen

en doorwaadde dolend deze dodende Styx.

 

Schijnsels weerkaatsten zich tussen water en gewelf

de luchtspouw vernauwde zich tot de uiterste kwelders

Skeletbeenderen en ziel waren de restanten van mezelf

het licht zoog me weg door een tunnel naar elders …

 

Aramis