
In de ban van het kille ochtendlijk grijs
wandelen we dromerig naar een bedauwd staketsel.
Laaghangende wolken dempen het meeuwengekrijs
terwijl jij je op de natte reling in mijn armholte nestelt…
Wij genieten intens van deze rustige uren
op pierhoogte boven de wiegende maree,
ver weg uit de wereld van onrustige buren,
omzwachteld door dichte mist boven de kalme zee …
Wijl wij weemoedig turend waken
doemen vaag uit de fog twee driemasters op
welke traag, met de vuurtoren als baken,
geluidloos schuiven, richting havenkop
Hun zeilen hangen slap en klam,
door een waterige zon verbleekt.
Geen zuchtje wind speelt in hun want
Het anker valt … de bemanning ontscheept …
Aramis