Het vrouwtje van Stavoren

 

 

Vele honderden jaren geleden

bloeide Stavoren als Friese havenstad.

Zijn burgers waren heel rijk en tevreden

en stuurden schepen naar elk zeemansgat.

 

De rijke weduwe van een machtig reder,

een stedelinge van roem, eer en stand,

beklom elke scheepslading als taxeerder

en leidde haar bedrijf met ijzeren hand.

 

Het ging deze dame stevig voor de wind :

zij bezat een grote, vorstelijke woning.

Haar glimmende stoep maakte elkeen verblind :

de robijnen in het gouden hek leidden tot bekoring.

 

Het ellenlange pad, bestraat met zilveren platen,

leidde naar de massieve trap met het gouden bordes.

Achter de voordeur, belegd met parels en agaten,

prijkte de weelde van deze hardvochtige maîtresse.

 

Elke dag inspecteerde ze haar koopvaardij

en vroeg haar schippers “Wat bracht je voor me mee ?”

Steeds klonk het antwoord “Goud, parels, specerij…”

“Heel goed” lachte het vrouwtje weltevree.

 

Op een dag liep één van haar tjalken de haven binnen.

Het lag niet zo diep als naar vast gebruik.

De rederweduwe hoopte op mooi vlaams linnen 

en informeerde curieus naar de buit in zijn buik.

 

“Wel, vrouwe, ik voer langs de Wadden naar de Noord

en deed mijn zeilen tot scheuren bol staan.

In een Deense haven werd ik fel bekoord

door een lading uitmuntende zaden en graan”.

 

"Graan !" krijste het vrouwtje, "Graan en zaden !?”

"Ja, natuurlijk ," kwam het antwoord uit de kajuit.

"Over welke kant heb je dat goedje geladen?!

Stuurboord !? Zo werp het er nu aan bakboord uit !”

 

De schipper deed gedwee wat zijn bazin beval

en liet de balen in de zoute golven stouwen.

Een toekijkende grijsaard spuwde kwaad zijn gal :

“Vrouw, in tijden van gebrek zal u dit sterk berouwen !”

 

“Zwijg, dwaze vent” riep zij en greep één van haar ringen.

Ze gooide hem in het ruime sop met opgezweepte kracht.

“Nog eerder zal ik die gouden ring uit deze zee herwinnen

dan dat ik ooit tot de bedelstaf zal worden gebracht.”

 

Een week later kreeg het vrouwtje hoog bezoek

en bereidde een vis die haar schipper haar bracht.

Maar bij de eerste hap uit de moot van de snoek

beet zij op de ring met de groene smaragd …

 

Het vrouwtje werd bang : "Is dit een omen ?"

Plots meldt één van haar boden zich dringend aan.

"Mevrouw, er is een onheilsbericht gekomen :

Tien van uw schepen zijn in een storm vergaan !"

 

De redersvrouw trilde, het schuim op de lippen,

en alweer maakte een nieuwe tijding haar verbolgen.

“Uw vloot van een dozijn botters liep op de klippen

Ze sloegen lek en werden door de zee verzwolgen”.

 

Niet lang daarna motiveerden haar kosten en baten

de schuldeisers tot het zenden van een deurwaarder.

Haar vloot in Biskaye viel ten prooi aan piraten

wijl een oorlogsgaljoen haar klipper niet spaarde.

 

Tot overmaat van ramp weerklonk bij de kaaien

geroep en getier als was er hevige rampspoed.

De pakhuizen van haar rederij stonden in lichterlaaie :

op amper enkele weken was de redersvrouw bankroet.

 

Het eens zo rijke vrouwtje sleet haar laatste levensjaren

als bedelares, eenzaam, veracht en verlaten op de wal.

De havengeul verzandde en droeg vruchteloze korenaren

Haar hoogmoed bracht het rijke Stavoren voor de val ….

 

 

Aramis