Klinkerend
de ochtend gloorde rood
om jouw wondere toren
droomdronken en verstrooid
doolde ik godsverloren
zinstrelend zweefde jij
deemsterend in je nevel
spelend met ’t beest in mij
tussen je hel en hemel
geraakt en zwaar begaaid
na taaie kwaaie plagen
werd ‘k amoureus gepaaid
en zou finaal versagen
diep in jouw kruidentuin
ontgroef ik onze schat
en met glanzend arduin
klinkerde jij ons pad
Aramis
