Oostende reportage

 

Ik adem diep in en geniet van de zilte en onbezoedelde zeelucht. Het geluid van de branding injecteert een reinigende rust tussen mijn oren. Meeuwen kermen, windvlagen slaan me voortdurend in het gezicht. Ik zie de zee af en aan rollen, onverstoorbaar, onvermoeibaar, als een perpetuum mobile.

Bij elke strandwandeling raak ik er door gehypnotiseerd. Ook nu weer, in Oostende. Nochtans laat het klauwen van' de schuimbekkende branding altijd dezelfde beelden na op het netvlies. Heel anders dan bossen, die meedeinen op het ritme van de seizoenen. Met bossen kan je meevoelen. Je ziet ze tot leven komen in de lente en moedeloos verkleuren in de herfst. Ze kunnen ziek worden en sterven. Het is een patroon waarmee je vertrouwd bent. Maar de zee is ongenaakbaar en laat zich door niets beïn- vloeden, niet door de seizoenen, zelfs niet door de eeuwen.

Diezelfde branding was er al toen Oostende nog het "oost-ende" was van het lange en smalle kusteiland Ter Streep. Dat besef maakt me stil en deemoedig, zet me aan het mijmeren en filosoferen. Tot een geniepige en gulzige golf van mijn schoenen eilandjes maakt en de dagdromen verdrongen worden door onvervalste Vlaam-sche vloeken. De lucht is grauw, de zee is grauw, zelfs de gezichten van de schaarse wandelaars zien grauw.

Toch stoort het me niet. Als je in de Sahel bent geweest, dan kijk je anders aan tegen ons West-Europees klimaat. Ik hou van de afwisseling. Meest van de zon natuurlijk, zoals iedereen, maar ook van een ontketende wind, van een feeërieke sneeuwbui, zelfs van de regen. Maar er zijn grenzen aan mijn tolerantie. Zeker wanneer tijdens een strandwandeling de hemelsluizen helemaal open gaan en zelfs een regenscherm geen soelaas meer biedt. Dan is het tijd om drogere oorden op te zoeken.

Het is druk in de binnenstad. Komt dit centrum ooit wel tot rust? De cafés zitten afgeladen vol met vluchtelingen. Hete koffie wordt met hectoliters geserveerd. Zelfs in de brasserie van Hotel du Pare, waar je gewoonlijk in alle rust de Belle Epoquesfeer kan snuiven, is het geroezemoes niet te harden.

STADSWANDELING

Cartoonist Herr Seele, die al 21 jaar in Oostende woont, spreekt van "een miezerig stadje aan de Noordzee" en prijst ongezouten de lelijkheid van de gebouwen, want daar houdt hij van -beweert hij. Nadat ik het interieur van zijn woning heb gezien, kan ik daar in komen. Bij mensen met een meer klassieke smaak wekt Oostende gemengde gevoelens op. Nu eens heeft men de vastgoedbaronnen de vrije teugeis gelaten, dan weer stak de zorg voor het patrimonium de kop op. Het resultaat is dat mooi en minder mooi verwarrend door elkaar verweven zijn.

België is doorheen de geschiedenis meerdere malen een slagveld geweest voor grote mogendheden en telkens als er klappen werden uitgedeeld, mocht Oostende meegenieten. Zo werd de middeleeuwse stad al vernield in het begin van de 17de eeuw, tijdens het Spaans-Hollands conflict. Tweehonderd jaar later dreigde het nog eens mis te lopen toen Napoleon ons land binnenviel en een Engelse invasie in de lucht hing. In de duinen ten noorden van de havengeul liet hij een fort optrekken. Het heeft echter nooit zijn nut moeten bewijzen en je kan het vandaag nog bezoeken. Nadat de Fransen waren afgedropen, brak een meer florissante periode aan.

Het toerisme begon zich te ontwikkelen en Oostende ging gouden tijden tegemoet. Mettertijd zou ze de titel krijgen van Koningin der badsteden. Dat dankt ze niet aan haar fraaie zandstranden, maar aan haar koninklijke connectie. Reeds in de 19de eeuw was de stad aan zee het favoriete zomerverblijf geworden van de Belgische vorsten. Ze ontvingen er heel wat Europese gekroonde hoofden. Het Koninklijk Paleis, de Koninklijke Villa, de Koninklijke Gaanderijen, het praalgraf in de Sint-Petrus-en-Pauluskerk van onze eerste, in Oostende overleden koningin, het zijn allemaal vingerwijzingen naar het koninklijke verleden. In die bloeiperiode ontstond ook het eerste Casino (1878) en de Wellingtonrenbaan (1883). Maar dan ging het weerom de verkeerde kant uit. Twee wereldoorlogen veegden het oude Oostende grotendeels van de kaart.

En zoals wel op meer plaatsen gebeurde, was behoud of herstel van het patrimonium niet altijd de belangrijkste zorg bij! de heropbouw. De naoorlogse explosie van het appartementtoerisme zorgde nadien voor een ongebreidelde afbraak-en bouwactiviteit. De vernieuwingen en aanpassingen gaan nog altijd door.; Momenteel wordt het Casino Kursaal onder handen genomen. Morgen zal het | weer iets anders zijn. Een mens mag dromen van het verleden, maar moet leven met de realiteit en die ontrolt zich voor mijn ogen als een lanf gerekt betonnen windscherm langs de zeedijk. Het regent niet meer.

Enkel eer nerveuze wind vertraagt mijn wandeling naar de Venetiaanse Gaanderijen. Daar keer ik de zee de rug toe en verdwijn ir de windluwe binnenstad, waar overbevolkte straten me terug naar de Visserskade voeren. Ik beland uiteindelijk, als een echte toerist, op het Westerstaketsel, dat nog steeds de sporen draagt van eer onzachte aanvaring. De beelden die tijdens mijn wandeling] voorbij paraderen, tonen een stad met een gelaat dat cosmetische ingrepen verraadt, een plaats waar de grandeur van het verleden afsteekt tussen banale en minder banale eigentijdse exponenten.

Een stad is echter meer dan architectuur en monumenten. Ze wordt ook gemaakt door mensen, door in- en uit-boorlingen. In het straatbeeld zie ik verliefde jongeren die mekaars warmte opzoeken. En "oudjes" die hand in hand wandelen en bewijzen dat ook in de herfst van het leven nog romantiek bestaat. Ik voel me één met alle kuierende onthaasters en onderga in stilte het gejoel van uitgelaten kinderen, de glimlach van een winkeljuffrouw, de goedgeluimde kelner die me "een zeupke" brengt, de vrouwen aan de viskraampjes die blatend hun waren aanprijzen. Allemaal bouwen ze mee aan het beeld dat Oostende straks zal achterlaten in de souvenirkast van mijn geheugen.

Tijdens mijn terugkeer langs de Promenade bemerk ik ter hoogte van de Vlaanderenstraat een bordje dat naar het Ensorhuis verwijst. Toch maar even binnenwippen. De jongedame aan de balie waarschuwt me: in het voormalige woonhuis en atelier van James Ensor zijn geen originele kunstwerken te zien, enkel reproducties. Op het gelijkvloers is de schelpen- en souvenirwinkel van zijn oom gereconstrueerd. De tussenverdie-ping is een documentatieruimte en op de tweede verdieping bevindt zich het salon-atelier van Ensor.

Ik herken er meubels en snuisterijen die de kunstenaar op diverse schilderijen afbeeldde. Voor het echte werk hoefje maar een steenworp verder te gaan. Op het Wapenplein, in december omgetoverd tot ijspiste, bevindt zich het Museum voor Schone Kunsten, ingekapseld in het Feest- en Cultuurpaleis. Het bezit een uitgebreide verzameling van Oostendse meesters, met het accent op de periode 1880 -begin 20ste eeuw. Finch, Spilliaert, Permeke, De Clercq en uiteraard Ertsor houden er het vaandel hoog. Maar Oostende heeft meer dan één kunsttroef achter de hand. De tijd dat het provinciebestuur van West-Vlaanderen enkel werk van jonge kunstenaars uit de eigen regio aankocht, is reeds lang voorbij.

Reeds vanaf 1957 verbreedde het interesseveld en begon de provincie met het systematisch aan leggen van een verzameling eigentijdse Belgische kunst. In 1982 werd beslist een voormalig grootwarenhuis aan te kopen in Oostende en het pand om te vormen tot museum. Vandaag krijg je er een vrij uniek en volledig overzicht van de moderne kunst in ons land. Er is een historisch gedeelte met als belangrijkste gegeven het expressionisme, het semi- historische dat we moeten situeren rond en na de Tweede Wereldoorlog en ten slotte de actuele kunst. Samen vormen ze de vaste collectie. Daarnaast voert het Provinciaal Museum voor Moderne Kunst (PMMK) ook een politiek van wisseltentoonstellingen. Museumschepen Ze ligt er bij als een vis op het droge.

De opgebaarde Amandine was de laatste der Mohikanen. Of meer precies: de laatste van onze IJslandvaarders. Na 33 jaar dienst werd de treiler in 1995 op pensioen gesteld en daarmee viel ook het doek over de "Ostensjhe lesland-visjherie". IJsland is omgeven door de meest visrijke wateren ter wereld en dat was de reden waarom onze vissersvloot er elke zomer heen trok. De reis alleen al nam vier dagen in beslag. In maart 1998 werd de vissersboot gerenoveerd, omgebouwd tot interactief museum en neergepoot in een droogdok aan de Vissers-kaai.

Als in een peepshow laat Amandine zich nu langs alle kanten bekijken en geeft zelfs haar onderdekse intimiteiten prijs. Maar voor je haar mag aanraken, loop je een tentoonstelling door die je vertrouwd maakt met vissersboten, de IJslandvaart en het harde leven en werk aan boord. Dat was niet om mee te lachen. Al ga ik daar eventjes aan twijfelen wanneer ik op een tekstbord - bij het hoofdstuk eten en drinken - lees dat een matig drinker tijdens één reis gemiddeld 72 blikjes bier soldaat maakte. De Amandine had een achtkoppige bemanning.

Wat zij op zee uitspookte wordt met film, foto's en tekstborden weergegeven. Soms ook met een klankband. Een druk op een knop en je verneemt wat gutten betekent. De bijhorende beelden doen me terugdenken aan de "Jack the Ripper" wandeling in Londen. Aan de gids die met een onbewogen gezicht vertelde hoe de Ripper telkens zijn slachtoffers openreet | met een vlijmscherp mes, "from the vagina to the throat". Ook dat was | gutten. De IJslandvaart was niet voor doetjes of I lichtgewichten. Een zwartwit film, ge-J draaid op een vissersboot tijdens een | flinke storm, bezorgt me lichte rillingen. ] Ik lees nadien dat sinds 1945 49 vissers j op zee zijn omgekomen. Onder hen zijn | er 23 die tijdens hun werk door de golven zijn meegesleurd. Sedert deze zomer zijn de cijfers achterhaald en tellen we 53 J doden.

Na het informatieve luik mag ik de buik I van Amandine binnen. Het leven aan boord is er op een attractieve manier in*, scène gezet. Wassen poppen vervangen j de bemanningsleden. Soms lijken ze | onwaarschijnlijk realistisch. In een kooi slaapt een man en ik stap zachtjes verder op de toppen van mijn tenen, om hem niet wakker te maken. In scheepstermen noemt men de Amandine een middenslagtreiler. Treilen betekent een groot net achter het schip aanslepen. De oogst ging het ruim in, waar plaats was voor 65 ton vis. Zelfs hoe de vangst vroeger werd gestapeld is levendig echt uitgebeeld. Bovendien lijkt het aslof ik de vissen kan ruiken, ook al bestaan ze uit kunststof. De geuren achtervolgen me het hele schip door.

Zweetvoeten in de slaapruimte, koffie op de brug, etensgeuren in de kombuis. De effecten worden bekomen door olie te verwarmen die geurstoffen bevat, zo verneem ik achteraf. De Amandine heeft me geboeid en ik besluit ook de Mercator te bezoeken, de "sleepbootkiller". Het fiere zeilschip stoomde bijna dertig jaar lang cadetten klaar voor een loopbaan in de marine. De Mercator was het derde en ook het laatste schip in zijn soort. Het eerste Belgische schoolschip was de "Comte de Smet de Naeyer". Het verging in 1906 en bezorgde de kapitein en 33 van de 59 bemanningsleden een zeemansgraf. Het daarop volgende jaar kreeg de marine al een nieuw opleidingsschip, dat dezelfde naam droeg. Het deed dienst van 1907 tot 1932, het jaar waarin de schoenerbark met de naam Mercator te water werd gelaten.

De plannen van het jongste zeilschip waren getekend door poolreiziger Adrien de Gerlache, toen directeur-generaal van het Bestuur van het Zeewezen. Op 5 september 1932 voer de Mercator voor het eerst uit, met een honderdkoppige bemanning. Tot 1961 zou hij 41 reizen maken en in totaal 344.000 zeemijlen afleggen. Meer dan 2.000 zeelui ontvingen hun opleiding aan boord. Als ik op de loopplank stap die naar het achterdek leidt, zie ik in een van de masten mensen aan het werk. Ook een museumschip vraagt onderhoud. De masten zijn indrukwekkend hoog, de zeilen zijn echter verwijderd.

De audio-foon vertelt me dat er vroeger achttien verschillende zeilen waren, elk met een eigen, specifieke naam. Samen besloegen ze ongeveer 1500 vierkante meter. Om ze allemaal in bedwang te houden en om te manoeuvreren, waren meer dan 300 verschillende touwen nodig. Het vraagt niet veel verbeelding om de cadetten te zien sjouwen en sleuren op het deinende dek. Bij gunstige wind kon de Mercator een snelheid van 25 kilometer per uur ontwikkelen, beweert de audiofoon.

Wat had ik graag zo'n reis meegemaakt. Maar dan liefst als passagier. Want mijn verlangen reikt niet zover dat ik dagelijks het dek wil schrobben, zoals de cadetten deden. Of de honden-wacht lopen, van middernacht tot 4 uur. Net zoals bij de Amandine leert het bezoek me heel wat over het leven aan boord. De audiofoon vervult zijn taak naar behoren. Ik loop over verschillende dekken, langs slaapzalen, de mess, de operatiezaal, de luxueuze kapiteinshut.

Foto's brengen het verleden terug tot leven. Ook het curriculum van de driemaster hangt uitgestald. Hij was niet enkel voor opleiding bestemd, maar fungeerde ook als varend ambassadeur en werd zelfs ingezet voor wetenschappelijk expedities. Meest bekend is de reis naar de Paaseilanden in 1934. Twee jaar later repatrieerde de Mercator het stoffelijk overschot van pater Damiaan. Als ik het schip verlaat, tracht ik de twee bezoeken af te wegen. Je kan ze echter niet met mekaar vergelijken, want ze laten twee totaal verschillende aspecten van de zeevaart zien. En in beide gevallen was het een interessante ervaring.


Marc DE VOS