
Platonische ontknoping
Bedrukt en geplaagd door kwel en kommer
ga ik op zoek naar herbronnende rust.
Ik trek mij terug in Ardeens harsgeurend lommer
en wil er verblijven tot ik mezelf heb gesust.
Ik slenter mijlenlang door godvergeten bossen.
Helling op, helling af tot bij een sompig wad.
In hurkzit verfris ik genietend mijn polsen,
in gedachten verzonken bij mijn onbereikbare schat.
In de spiegel van het lichtkabbelend water
verschijnen de contouren van een tweede gezicht
Ik scherp mijn ogen op het golvend geklater
waarin ‘t beeld zich aflijnt tegen diffuus hemellicht
De verrassing is groot : is ze me stil nagekomen ?
Kijkt zij nu werkelijk over mijn schouder ?
Ik knijp me de wangen, ik moet dit wel dromen
maar ‘k hallucineer niet : ik krijg het benauwder.
Ik sta langzaam op en verlaat verward het wad.
Ik voel intuïtief haar ogen in mijn rug
Werd ik schizofreen en verbeeld ik mij wat .. ?
Kom, liefste, verraad je door een verlegen kuch !
Langs drassige paden volgt ze mijn spoor
Ik wacht aandachtig op een herkenbaar geluid ...
Geen takje kraakt, niet het minste gehoor.
De spanning groeit, ik houd dit niet uit !
Ik durf niet om te kijken, ik verzin dus een plan :
een oude eik trekt plots mijn volle aandacht.
Met trage trekken kerf ik haar naam in zijn stam
wijl ik hartbonzend op haar begroeting wacht.
De minuten beginnen uren te lijken
met ingehouden adem draai ik me traag om
op drie passen voor me staat ze te kijken,
de ogen betraand, verwachtingsvol …
Haar onschuld laat mijn gemoed verweken
en geeft me een hartverwarmend gevoel.
Een krop in mijn keel bemoeilijkt mij ‘t spreken
Ik krijg niet gezegd wat ik feitelijk bedoel …
Ik droog haar tranen, terwijl ik zelf ween :
We weerstonden heel lang deze platonische verleiding
och, waren onze harten maar gemaakt van steen
dan stevenden we nu beiden niet af op een scheiding …