Rijk

 

hoog platanisch zomen eiken

dreven, wouddiep eind’loos lang

drijvend mijn rede gedachten

temperend mijn stierse drang

 

stuivend meel wekt roes, zo rustig

stilte dempt mijn zielekwaal

in ruis deemsteren de sporen

van mijn wereld, hard, brutaal

 

mag magnolia mij redden

met schoonheid, geur, in glundertaal

ach, ‘k veracht beurzige vrienden

hoogschoud’righeid is zo banaal

 

diep platonisch vult mijn leven

zich zielsgewijs; het geld neemt wijk

niets kan mij beurs noch baksteen geven

ik sterf ’t liefst nog arm, maar leefde rijk

 

Aramis