schoorsteen
ooit was zijn hart een haard van vuur
geborgen als een warm foyer
bij nacht, op elk onzalig uur,
gaf hij het dorp zijn walmgloed mee
door eeuwen torste hij ‘t gewelf
boven de kleine goegemeente
trotseerde stormen en geweld
soms krakend in zijn ruggebeente
de geest die hij ten hemel dreef
vanuit zijn lichaam, hol en rank,
bleek eensklaps ijdel, schots en scheef,
met onwelriekend vuige stank
onder de wegroestende gespen
kwijnde zijn metswerk, oud en ziek
heel solitair bogen zijn resten
zich stervend boven de fabriek
Aramis