Tussen ’t weligtierend onkruid
naast de lange inrijlaan
dartelt hij met natte snuit
achter wesp en dagvlieg aan.
Plots begint hij fel te grommen
eens een vlinder zich aanbiedt.
Maar zijn chef zal hem verdommen
als hij ’t diertje niet ontziet.
Dus zodra hij ’t beest ziet komen
rept hij zich naar ’t vertrouwde kot.
Spiedend van onder Bonsai-bomen,
knabbelt hij gedwee zijn bot
Aramis
