Aalst : Kasteelke van Verdoemenis

 

verscholen in het wild struweel

langs de oude baan naar Gent

stond ooit een somber spookkasteel

in de omtrek wijd bekend

 

ooit sloeg de eigenaar van ’t pand,

van zinnen zwaar beroofd,

zijn gemalin met zware hand

een spijker door het hoofd

 

in ’t kille licht der vollemaan

had hij haar lijf ontknookt

zich in zijn tuin van ‘t vlees ontdaan

haar schedel afgekookt

 

het kaarsvet droop in ’t duister

langsheen haar drogend been

des nachts weerklonk gefluister,

en wars knarsend geween

 

’t kasteel, gehaat, gehoond

stonk zwaar naar zuur en pis

nooit werd het nog bewoond

‘t kreeg de naam “Verdoemenis”.

 

 


 

Aarsele : De Duvelsput

 

ooit raakte grond verzonken

tot een ijslijk diepe put

van waaruit duivels klonken

als de hel weer werd geschud

 

vanuit zijn wanden kaal en zwart

vervaarlijk diep en steil

orakelde luid hol en hard

een gehate klok onheil

 

boeren van heind’ en verre

kwamen met span en paarden

waar ze bij ’t licht der sterren

zich om de put heen schaarden

 

één hunner kroop bezeten

tot bij de duivelsklok

bond hem vast met een keten 

en tikte met zijn stok

 

de paarden trokken dampend

’t verduivelde gevaarte 

tot het, de putrand schampend,

middernacht sloeg op Sint Maarten

 

plots knapte één der schakels

de last viel vele uren

en tuimelde met zijn takels

voorgoed in d’ hellevuren

 

 


 

Aarschot : De kasseistampers

 

Toen menige roversbende

door Vlaamse steden trok

kende men veel ellende

en luidde d’avondklok

 

in Aarschot vonden buren :

“Gedaan ! Nu is’t genoeg !

Als dat hier zo blijft duren

kunnen we niet meer naar de kroeg !”

 

Een stadswacht werd gesticht

om in de buurt te waken ;

ze liepen met hun licht

langs kerk en handelszaken.

 

Maar ze deden zich tegoed

in een bruine taveerne

of zochten nieuwe moed

in de armen van een deerne.

 

Toen besloot het stadsbestuur

de patrouilles op te splitsen

in twee per twee om ’t uur :

er valt niks meer te ritsen !

 

Maar heel gedisciplineerd

ging de een om ’t halfuur pompen

terwijl de ander de ronde deed

en stampte met zijn klompen

 

 

 

Antwerpen : Lange Wapper

 

een valse vrouwe, Stansken,

verbleef er in een gangsken

ze zat aan drank en snuif

en spiekte bij de Schuif

 

wie daar een vondling bracht

had nooit aan haar gedacht

maar werd uiterst pervers

door haar sluw afgeperst

 

’t verhaal ging niet verloren

maar kwam aan Wapper’s oren

hij momde wraakgezind

zich tot een busselkind

en legde zich te leur

voor Stansken’s oude deur

 

de heks ontweek ‘t geheel

maar wegens ’t gekrakeel

ging zij ten langen lesten

het kind in de schuif nesten

 

nog vòòr ze daar aankwam

groeide ‘t kind als een zwam

en plots stond daar heel dapper

de echte Lange Wapper

 

hij sloeg de gehate vrouw

tot ’t begin van diep berouw

sindsdien heeft zij ’t verleerd

en deed niets meer verkeerd.

 

 


 

As  : Het doolhof

 

Onder de Caelenberg

door holten ondermijnd

woonde een oude vrouw

een echte heks, naar ’t schijnt.

 

Gnydige had een bult

alles aan haar was krom

en zonder haar twee stokken

viel ze voorzekers om

 

ze bedelde in ’t stad

en wie niets gaf kreeg luizen

veranderd in een kat

drong ze binnen in huizen

 

viel vrijdag op een dertiende

dan zat haar hele hol

met katten van dichtbij

en van heel verre vol

 

de vrouwen waren bang

en smeekten dat hun mannen

hen van die heks verlosten

haar eeuwig zouden bannen

 

ze staken in haar hol

op zo een dertiende

een grote baal in brand

zoals ze dat verdiende

 

de katten vluchtten weg

maar d’heks kwam niet naar buiten

een grote kromme kat

lag dood achter de ruiten ....

 


 

Brugge  : De rijve van de H. Ursula

 

De hertog van Bourgondië

genaamd Karel de Stoute

viel bij de stad Nancy

gedood door Zwitserse schouten

 

zijn leger was onthoofd

en zwierf van stad tot staat

in ’t Brugs Jans-hospitaal

verscheen een Duits soldaat

 

de kerel zwaargewond

was welhaast doodgeklopt

maar door de goede zorgen

kwam hij er bovenop

 

eens op zijn positieven

vroeg hij verf en penselen

en ging er in de hof

een schildersezel strelen

 

toen hij zijn afscheid nam

kwam hij met een verrassing :

een prachtig schilderij

gecreëerd door ... Hans Memling.

 



 

Borgloon  :  Het café in de Steenstraat

 

 

drie mannen in een staminee

hadden goesting om te wiezen

voor hun part speelde de duivel mee

als z’hun troef maar konden kiezen

 

hun woorden waren amper koud

of een vierde man kwam binnen

hij zette zich en dronk een stout

en ’t kaartspel kon beginnen

 

tijdens het spel gleed er een kaart

onder tafel op de grond

toen bukte zich de oude waard

en zocht tot hij ze vond

 

met ‘t hoofd onder het tafellaken

is hij plotsklaps verschoten

van alteratie ging hij braken

want die man had bokkepoten !

 

de duivel voelde zich ontdekt

en vluchtte dòòr de muur

hij liet een gat dat stonk naar pek

en naar sterk zwavelzuur

 

telkens wanneer men dan dit gat

metsend trachtte te dichten

verscheen het weer, men werd het zat

men moest ’t opnieuw oprichten

 

maar ook in het herbouwde pand

ging ’n duivelsgat weer roken

door angst en twijfel overmand

werd het weer afgebroken

 

nooit werd op dat bewust perceel

een huis nog opgetrokken

nu grazen op dit stadse deel

nog steeds geiten en bokken

 

 

 

Damme : De zeemeermin
 
 
ergens vroeg in de middeleeuwen
vonden de vissers in het Zwin
gelokt door het gekrijs van meeuwen
een droeve, halfnaakte zeemeermin
 
ze sleurden haar naar de Damse markt
en bonden haar daar aan een paal
dra stond het er van kijkvolk zwart
ondanks haar wenen en gebaal
 
drie dagen lang sloot zij de lippen
en wendde ’t hoofd weg met een traan
maar plots liet zij zich luid ontglippen :
“Damme zal vergaan, Brugge zal bestaan !”
 
was dit een teken ? was dit een vloek ?
niemand mocht Damme zo schandmerken !
men gooide haar, gewikkeld in doek,
in de vergeetput van Oostkerke
 
daar stierf zij in haar Meerminput
die op vandaag nog steeds bestaat
van haar vloek bleven ze niet beschut
want plots verzandde de Damse vaart

 

 

 

Gent : Patershol

in 't midden van de Gentse stad
stond er een groot slotklooster
de paters echter vonden dat
't te klein werd : het moest grootser !

er stelde zich wel een probleem
want op hun bouwrijp kavel
welde onder een grote steen
een bron op uit de zavel

de hele wijk had vruchtgebruik
van 't water uit die wel
en af en aan met kan en kruik
kwamen burgers toegesneld

toch gaf de Graaf van Vlaandren toe
dat 't bouwwerk mocht beginnen
op voorwaarde dat, om 't even hoe,
men water kon ontginnen

bij 't bouwen van het nieuwe pand
werd de sloot dan overluifeld
zodat er in gebukte stand
naar de bron kon aangeschuifeld

nog lang na het voornoemd verhaal
ging men daaglijks om water
en kroop men hijgend en massaal
in 't bekend hol van de pater

 

 

 

Maaseik : De kleefsteen van Aldeneik

 

 

in ’t kerkje van oud Aldeneik

noodde de Kruisheer ter communie

toen plots vanop de achterrij

de koster’s vrouw ontstak in furie

 

“ik ben géén oude kwade heks !”

zo fulmineerde zij verwoed

“stop dus dat vals burengeklets

dat waarheid slechts geweld aandoet !”

 

“welaan dan” sprak de kapelaan

“neem onbevreesd dit heilig brood

ontvang dit goddelijk lichaam

tot lout’ring van je zielenood !”

 

de hostie zakte in haar keel

maar zwol tussen d’amandelpartijen

dit was gewis een godsoordeel

ze braakte ’t uit op de plaveien

 

strompelend zocht zij een houvast

maar stuikte neer in het godshuis

haar vingers werden vastgelast

op ‘t oppervlak van een plavuis

 

ze vocht en sleurde nutteloos

totdat de proost de hostie nam

men sleurde haar heftig en boos

ter brandstapel naar de Maasdam

 

wie heden nog ter kerke gaat

in het aloude Aldeneik

ontwaart nog steeds het inkarnaat

afdruksel van iets vreselijk

 

 

 

 

Patershol

(Stadslegende uit Gent)

in 't midden van de Gentse stad
stond er een groot slotklooster
de paters echter vonden dat
't te klein werd : het moest grootser !

er stelde zich wel een probleem
want op hun bouwrijp kavel
welde onder een grote steen
een bron op uit de zavel

de hele wijk had vruchtgebruik
van 't water uit die wel
en af en aan met kan en kruik
kwamen burgers toegesneld

toch gaf de Graaf van Vlaandren toe
dat 't bouwwerk mocht beginnen
op voorwaarde dat, om 't even hoe,
men water kon ontginnen

bij 't bouwen van het nieuwe pand
werd de sloot dan overluifeld
zodat er in gebukte stand
naar de bron kon aangeschuifeld

nog lang na het voornoemd verhaal
ging men daaglijks om water
en kroop men hijgend en massaal
in 't bekend hol van de pater

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Stadslegenden