
Van vier verdronken kameraden
Hoe waren ze van vreugde vol
en kwinkeleerden ze bij nachte,
toen Hij hen daar, gebocheld bol,
de zeis ter hand, bij de kwelder wachtte.
Glimmende kasseien weerhielden hen niet
hun motor ten volle te tarten.
Geschater ontnam hen hoe een schaduw verried
dat een bierkar hun pad wilde dwarsen.
Zij schoven, botsten, tolden in ’t rond :
geen bolder kon hun vaart bedwingen.
Het snerpend geluid verstomde terstond …
het water drong onstelpbaar binnen ...
Aramis