“Weps !”, zei de weps.

 

 

Aardschokken wekken me uit mijn slaap

waarbij de stampers boven me hevig trillen.

Terwijl ik mij rek en breeduit gaap

hoor ik hen daarbuiten met tientallen gillen …

 

Ik klim in paniek langs het gele tulpeblad

tot ik met moeite mijn zichtpunt bereik.

Vanuit mijn belle-vue, sterk glibberig en nat,

heb ik immers een breedomvattende kijk.

 

‘t Gestommel komt uit oostelijke richting ;

ik richt mijn telescoop met hulp van vrouw Rups.

“Daar nadert een complete geitenlichting !!!”

“Wegwezen !” schreeuwen de bijen-pups.

 

Bezadigd bedenk ik een sinister plan

“Hoe houd je in godsnaam een geit uit de geburen ?”

Na overleg met Kopje, de nijdige spin,

besluiten we vaardig tot de aanleg van vuren.

 

Ik hou een lucifer in mijn hand stil

terwijl Aagje, onze aardslieve libel,

het doosje zoemend heen en weer trilt

tot de vlam ontbrandt, hevig en fel ….

 

Maar de wissen en takken boven onze kelk

vatten veel sneller vuur dan gedacht

“Breng vlug enkele emmers aardwormmelk !

of we hebben ons eigen insectenvolk  afgeslacht !”

 

Aramis