
Wintermuze
Een glorende zon gooit haar goudgele stralen
schuins door de kruinen van het berijmde bos.
Een westie doorsnuffelt, druk kwispelstaartend,
het okerend loof op het bevroren mos.
Onder een deken van verterende naalden
overwintert moeizaam de blauwe akelei.
Jeneverbesstruiken, nog half vruchtbeladen,
overluifelen boleten en wilde bosaardbei.
Ergens ver weg echoot spechtgetokkel
en in het struweel ritselt driftig iets rond.
Een oudje dat kranig wat brandhout sprokkelt
kruist schuw en onzeker de jongspeelse hond.
Gezeten op een stère ontschorste eikestammen
gunt de wandelaar zich wat rust na gekuier.
Zijn blik droomt zich vast tussen nevelzwammen,
gevangen in het rag dat deze vaalwit omsluiert.
Zijn gedachten verwasemen zich in de vrieslucht,
zich rijpend tot verzen, tot gedichte verhalen
tot hij bronstig zijn muze tot baren heeft bevrucht :
Aramis