Zweet in de galei
Getormenteerd en kromgebogen
trekt hij zijn riemen met gezucht
maar klieft onder die slaventucht
bij tijd en wijlen ijle lucht
door zijn stuurman misleid, bedrogen.
Nu snijdt een concurrent de loef
dan speelt een landwind in het want
weer schuurt de romp over het zand
of jaagt men hem weg van het strand
waar een belager zich ingroef.
Gebelgd door de loze aanvalsdriften
zwoegt hij morrend in het vooronder,
stampvoetend met vloek en gedonder
en opent, hopend op een wonder,
vermoeid zijn saaie boekhoudschriften.
Aramis
